Ik tref moeder niet op haar kamer, niet in de gemeenschappelijke woonkamer. Het loopt tegen vijven, een verzorgster staat te koken: aardappels, heel veel aardappels, gesneden kool. ‘Je moeder is gaan wandelen, met een mevrouw,’ weet ze, maar ze weet niet welke mevrouw, ze heeft haar niet eerder gezien. ‘Maar je moeder herkende haar wel.’ Ik vraag hoe zij vindt dat het met moeder gaat. ‘Nou,’ begint ze. Eerst deelt ze de observatie dat moeder toch nog wel een stukje slechter is dan ze aanvankelijk dacht. En dat ze zelden zo’n bazig type heeft meegemaakt. Brutaal, ook wel. ‘Als je niet oppast, neemt ze de hele afdeling over.’ Als mevrouw De Haan in haar rolstoel vroeg in de avond aankondigt dat ze naar de wc moet, en de verzorgster neemt de gelegenheid te baat om haar dan maar gelijk in haar pyjama te steken, zegt moeder: ‘Wat doe jij nou, waarom heb jij nu al een pyjama aan?’ En dan moet mevrouw De Haan huilen.
Achter mijn huis is langzaam een nieuw appartementencomplex verrezen. Eerst – hulde! – het bijna onhoorbare intrillen van de nieuwe fundering waarop het geheel zou komen te rusten, daarna de permanente dieselstank van een enorme generator, het verrijzen van een hijskraan die de late zon op het achterbalkon verduistert, plakken beton die op elkaar worden geplaatst, afwisselend horizontaal en verticaal, zodat er vakjes ontstaan die uiteindelijk huizen zullen vormen – vellen zilverkleurig plastic worden ertegenaan geplakt, die op hun beurt…
Eenzame uitvaart nummer 195 I.M. A. C. begraafplaats St. Barbara, maandag 29 juni 2015, 12.15 uur dichter van dienst: Eva Gerlach Dinsdagmiddag, Ali belt terwijl ik een roerei samenstel. Haastig veeg ik het struif van mijn handen, ben net te laat, keer terug naar mijn kliederboel en de telefoon gaat opnieuw, ik vloek en was opnieuw mijn handen, deze keer ben ik wel op tijd. Waarschijnlijk een Amerikaan, Ali spelt zijn naam, geboren op 23 mei 1937, men…
Als we met de lift op de eerste verdieping aankomen, staat het halletje vol met een ijzeren rek, waarin een vijftiental grote witte containers in twee etages staan opgesteld. Er hoort een man bij die hartstochtelijk aan het mopperen is. Hij haat zijn werk, dat is duidelijk. ‘Ik heb hier zo genoeg van. Wat een klotegebouw. Het is ook veel te krap. Kutzooi.’ Ik hou de deur beleefd voor hem open. Hij moet lege witte containers verwisselen voor volle, nu zie ik het pas, er zit een sticker op het deksel: ‘Incontinentieluiers’. De volle containers zijn met een tierip verzegeld, de lege zou je kunnen opendoen. De volle niet, ook niet per ongeluk.
Eenzame uitvaart nummer 192 I.M. W. W. F. van den B. Begraafplaats St. Barbara, vrijdag 29 mei 2015, 10 uur Dichter van dienst: F. Starik. Meneer, u schreef op uw kalender wat de dag u brengen zou: maandag wasdag, op woensdag de markt, u heeft in ieder geval aandachtig geleefd. U ruimde netjes op. En u noteerde, tussen februari en april steeds dezelfde boodschap die mij maar niets vertellen wil: We hebben de grens bereikt. We hebben de ijskap…
Als ik moeder naar haar kamer heb gebracht, nadat de gangdeur gul is opengezwaaid en ze voorzichtig, wat argwanend, op haar eigen deur afloopt, ze kijkt naar haar foto naast de deur en ze leest haar naam, die daaronder in grote typletters is aangebracht, ze probeert of die deur open kan, hee, hij zit niet op slot, zegt ze verrast en als ze dan binnen is, bekijkt ze haar inboedel en besluit dat het klopt. Ze loopt vastberaden op haar stoel af, neemt plaats, zegt, nadat ze gezeten is: ‘Pffftt’.
‘Wat gaan we nu doen?’ vraagt ze vervolgens. ‘Niets. Nu ga ik weg.’
Eenzame uitvaart nummer 183 I.M. Benny John M. De Nieuwe Ooster, dinsdag 21 oktober 2014, 9.45 uur dichter van dienst: Wim Brands Ali Mahmood meldt het overlijden van Benny John M., zoals we hem zullen aanduiden in het verslag. Geboren op 22 juli 1949 in Paramaribo, Suriname, overleden in het VU-ziekenhuis in Amsterdam op 13 oktober 2014. ‘Helaas weinig info,’ zegt Ali erachteraan. Hij woonde in Wormer, aan de Faunastraat, een non-descript nieuwbouwwijkje uit de jaren tachtig, zo te zien.…
Moeder zit op haar eigen kamer.
Eerst klop ik op haar kamerdeur. Er hangt een naambordje naast, daarboven is er een sleutelgatvormige ruimte uitgespaard, waarin je een foto van de bewoner moet steken, dat is handig, dan kun je zien waar je woont. Er gebeurt niets. Ik klop opnieuw. Er klinkt een voorzichtig ‘ja?’ uit de kamer. Ik treed haar kamer binnen.
‘Ik sliep,’ verontschuldigt moeder zich. Ze zit op haar vaste plaats in de enige stoel die daar geschikt voor is, met haar voeten op het voetenbakje, haar fauteuil, die bovendien als enige niet bezet is door de sierkussens, die eigenlijk voor het bed zijn bedoeld, maar in de praktijk altijd op de twee eetkamerstoelen liggen, dan hoef je die niet helemaal zo moeilijk op het bed te leggen, en die je er ’s avonds bovendien weer af moet halen, en waar leg je ze dan neer?