GEDICHTEN DIE DE BUNDEL NIET ZULLEN HALEN (18)

Oud ben ik mevrouw, der dagen zat, al bijna dood. Dat is de weg van alle vlees, hou ik mij groot. Niet zozeer dat ik niet goed meer hoor, dat valt eenvoudig te verklaren voor wie de beste jaren van zijn leven veel te hard gezongen heeft, dat is logisch: zo iemand wordt doof, en schor. Wie zo leeft, die rookt, zal op den duur gaan piepen uit zijn longen, daar hoor je mij niet over griepen. Of dat ik snurk, als een soort varken knor, en dat ik dikker word, omdat ik heerlijk heb gegeten. En weer te veel gezopen. Dat ik er ’s nachts uit moet om te pissen. In slaap nog naar de plee moet lopen.

Ik kan daar best mee leven, maar wat mij werkelijk hindert is dat ik langzaam blind word, het gezichtsvermogen hard vermindert met ieder jaar sterkere glazen in mijn bril: ik was de man die alles lezen wil. Met de dikste bril op gaat het – van heel dichtbij – nog wel, maar verder weg, daar is niets meer. Dan gaat het snel.

Bril

Omzichtig sluipend door de duistere woning
niets ziend, voornamelijk vermoedend
waar men struikelen zal, de nieuwe bril
waardoor men niets dan letters ziet

voorwerpen opdoemen tot contouren van iets
zwaars, massieve klonten aanwezigheid,
op het gezicht het hulpstuk voor de ogen.
Ik wist niet meer wat waar was, wat gelogen.

+

Geplaatst in Log