Eenzame uitvaart nummer 46

James Patrick Mann
Woensdag 14 september, 13.30 uur, begraafplaats St. Barbara
Dichter van dienst: Tonnus Oosterhoff

James Patrick Mann had de Ierse nationaliteit. Hij werd geboren in San Francisco op 23 december 1958. Hij werd door de politie gevonden op 27 augustus 2005 in een pand aan de Danzigerbocht, op nummer 73. Op het betreffende adres staat niemand ingeschreven. Aangenomen wordt, dat hij het pand op illegale wijze bewoonde. Waarschijnlijk overleed hij daags tevoren. Van de rechercheur die hem vond, de heer P., heb ik het telefoonnummer doorgekregen. De melding van de uitvaart werd telefonisch gedaan door een nieuwe medewerker van de Dienst, de heer Machmud. Hij is ongebruikelijk scheutig met zulke gedetailleerde informatie, die me doorgaans niet bereikt. Hij neemt aan dat de muziekkeuze door de dichters zelf geregeld wordt? Voorafgaand aan de uitvaart, vertelt hij, bestaat de mogelijkheid de heer Mann te bezoeken in Uitvaartcentrum Zuid, tussen 12.30 en 12.50 uur, waar hij ligt opgebaard. Van die mogelijkheid zal ik gebruik maken.

Dichter van dienst zal Tonnus Oosterhoff zijn. Hij had al diverse malen aangekondigd dat hij graag een eenzame uitvaart zou verzorgen, maar omdat hij dikwijls in een piepklein dorp in Groningen verblijft, was het niet eerder gelukt dit voornemen tot uitvoer te brengen.
Ik geef hem de gegevens door zoals ze tot mij zijn geraakt. En laat het aan Tonnus of hij zich met de rechercheur in verbinding wil stellen. De rechercheur verklaarde dat bij een kraakpand aan de Danzigerbocht een klein nomadenpark is ingericht, alwaar meneer Mann een caravan bewoonde. Hij stond bekend als een zware alcoholist, vertelt Tonnus de avond voorafgaand aan de uitvaart. Hij heeft een soort van blues geschreven. Ik moet bekennen dat die muzieksoort dun gezaaid is in mijn collectie.

Voorafgaand aan de uitvaart breng ik een bezoek aan Uitvaartcentrum Zuid. Twee dames ontvangen mij in de hal gehuld in een walm van wat een zeer goedkope parfum zou kunnen zijn, alswel een damp afkomstig uit een frispotje ten behoeve van een heerlijk geurig interieur. Ze vragen of ik met de auto ben. Dan heb ik recht op een gratis parkeerkaart. Ik verklaar dat ik mijn fiets alreeds tegen de gevel van het uitvaartcentrum heb geplaatst, waarvoor geen vergunning is vereist. Als ik even wil wachten, steekt een van de dames vast de kaarsen aan. ‘Er is nog niemand geweest?’ wil ik mijn vermoeden bevestigd hebben. ‘Nee,’ deelt de achterblijvende dame mee, ‘dan hadden we die kaarsen heus niet weer uitgeblazen.’ Dan mag ik de kamer binnen. Er staan vijftien bordeauxrode kantoorstoelen langs de lange zijde van de rouwkamer geschaard. Een kast, waarop tien kopjes staan, alsmede een suikerpot met klonten, staafjes melk gestoken in een staafjespot, lepeltjes in een gelijksoortige lepelpot. De wanden zijn versierd met reproducties van geaquarelleerde zonnebloemen in diverse formaten lijstwerk gevat. Het systeemplafond is afgezet met gouden biesjes, zoals je die bij Chinese restaurants wel tegenkomt. Halogeenspotjes verlichten de ruimte zonder raam erin, aangevuld met cirkelvormige hanglampen. Achter een halfrond kamerscherm vind ik de kist. De kist is de kist, hij is al dichtgeschroefd, het bloemstuk is er bovenop gelegd. Nog meer zonnebloemen. Het zal het seizoen wel zijn. Achter de kist onttrekt een blauwgrijs gordijn de deur, waaruit hij aanstonds gaat vertrekken, uit het zicht. Ik houd het drie minuten uit. Je wilt niet zomaar in- en uitlopen, dat zou iets onverschilligs hebben, tegenover de dames die de ruimte zo netjes in orde hebben gemaakt. Naast de kist branden vier kaarsen op een standaard met ongelijke leggers.
Als mijn verblijf de minimale beleefdheidsduur bereikt heeft, mag ik er van mezelf weer uit. Ik groet de dames, die me veel sterkte wensen met het verlies. ‘Dank u wel,’ zeg ik beleefd.

Ik heb nog drie kwartier om de begraafplaats te bereiken. Ik peddel op mijn gemak van Zuid naar St. Barbara. Ik arriveer een minuut of vijf eerder dan de lijkwagen, die bij de uitgang van de rouwkamer stond geparkeerd, terwijl ik bij vertrek een voorsprong van minstens een kwartier had. Die heeft er flink de sokken in gezet.

De uitvaartleidster, mobieltje in de hand, begroet me met een zekere opluchting. Ze werd gebeld door de dichter, dat hij nog in een file staat. Even later arriveert een groepje belangstellenden, zichtbaar afkomstig uit het nabijgelegen kraakpand, waar meneer Mann zijn caravan bewoonde. Meneer Degenkamp is vandaag op reis, hij wordt vervangen door zijn zoon. We stellen ons allemaal aan elkaar voor. De jongelui reageren enthousiast: ‘Er komt een dichter?’ De kwiekste van het stel, gehuld in een zilveren windjack met op de rugzijde een borduursel bevattende het opschrift ‘Pietje Bell’, die aanleg heeft voor natuurlijk leiderschap, vertelt, dat hij zoiets wel eens op televisie heeft gezien, heel mooi was dat. Ik vraag of ze wellicht zelf iets willen zeggen, tijdens de dienst. De jongen met de aanleg accepteert het aanbod graag. Hij zal spreken na de dichter, dan. Als de dichter nog komt. Ik diep mijn mobiel op, onder uit mijn tas.

Ik laat de cd’s zien die ik heb meegebracht. Mijn voorstel: een nummer van Nick Cave, ‘Darker with the day’. ‘I was looking for an end to this, for some kind of closure / Time moved so rapidly, I had no hope for keeping track of it / I thought of my friends who had died of exposure / And I remembered other ones who had died from the lack of it’ noteerde ik daags tevoren als motto voor het Eenzame Uitvaart- boek, dat zijn voltooiing nadert. Dat zou ik graag voor James Patrick draaien.
Bell schudt afkeurend zijn hoofd. De staart, waarin hij zijn lange haar heeft gebonden, zwiept over zijn schouders met hem mee. Te depressief, Nick Cave, oordeelt hij. Ik zie terstond af van een discussie over de aard van het nummer dat mij zo goed beviel. Het is eer van een opgewekte berusting, dunkt mij. In het eerste couplet wandelt hij naar buiten, voor zijn laatste wandeling, op zijn beste schoenen, groet de buren, die hem teruggroeten, want dat is alles wat ze kunnen: kletsen. En hij had nog zo voorgenomen om ze aardig te vinden. Ik probeer Tom Waits, een lief, licht ontregelend instrumentaal nummer van de cd ‘The Black Rider.’ Dat valt beter in de smaak. Marianne Faithul, ‘Don’t forget me’, wordt ook goedgekeurd. Johnny Cash mag dan met ‘One Love’, immers een cover de Ierse supergroep U2, de sessie besluiten. De uitvaartleidster zegt dat er in de aula eventueel, als u dat liever heeft, een ruime keuze uit het klassieke repertoire voorhanden is. ‘Nee, alsjeblieft niet,’ zegt Pietje Bell, ‘daar moest hij niks van hebben. Het is goed zo.’ We zijn het eens.

Dan zet ik mijn mobiel aan. Als ik Tonnus aan de lijn krijg, zegt hij, dat hij mij al ziet. En inderdaad, klokslag half twee komt hij ietwat verkreukeld uit zijn auto gestapt. ’Pfoe’, zegt hij. Hij was bij negenen weggereden uit Noord-Oost Groningen. Eerst een omleiding, toen een file, daarna weer een omleiding, dan een ongeluk, aan de overkant van de provinciale weg, onvermijdelijk leidend tot een kijkfile, aan de kant waar Tonnus reed. Zo ongeveer de enige file die er op dat moment nog in het hele land te vinden was.

Het gezelschap alternatieven is inmiddels verder aangegroeid, een stuk of twaalf bezoekers tel ik nu. Meisjes in hippieachtige kleren, mannen met grote broeken, vreemde kapsels. Uit een grote witte SUV komt een deftig gekostumeerd heer tevoorschijn, die zich voorstelt als supervisor van het Amerikaanse consulaat. Hij deelt rijkelijk visitekaartjes uit, met een gouden wapen erop gedrukt. Even later arriveert er nog een heer, met paraplu, bleker, jonger, van de Ierse ambassade. James wordt goed vertegenwoordigd, dat is duidelijk. De supervisor vraagt of hij foto’s mag maken. Dat mag. Hij begint maar eens met een groepsportret van de bezoekers, geflankeerd door de uitvaartleidster, en de dichters. Ze knipoogt terloops, als de
supervisor lang tijd neemt om de foto te maken. Tenslotte arriveert Johan Kembel van de Dienst in gezelschap van zijn nieuwe collega Ali Machmud. De uitvaartleidster dringt aan, dat we naar binnen moeten. Het is al ruim tijd geworden.
Achter haar aan drommen we de aula binnen. De dienst kan beginnen. Tom Waits klinkt op.
Dan klimt Tonnus uit de bank en leest zijn gedicht half naar de kist gekeerd, half naar zijn onverwachte publiek.

Blues voor James Patrick Mann (*23-12-‘58, + 26-08-’05)

Onrustige reisgenoot, lichaam, je
bent, hebt Jimmy Mann aangevlogen.
Zong hij mooier in zichzelf dan je kon velen?

Was je het moe te rillen van de kou die hem innam?
Met jeuk van de drank valt het dragen van een
naam zwaar, hij had, was geen familie meer.

Op het politiebureau wijst zijn horloge
de tijd na hem aan. Wil iemand gaan kijken?

Hij is aangevlogen, vervoerd, hij wil nu
met rust gelaten. Hij wil het allang zó, dat
wij vreemden ervan bij elkaar zijn. De op een na kortste dag

is zijn verjaardag niet meer, de langste nacht
maakt hem niet meer ongeduldig of angstig.

Oosterhoff is uitgesproken, bijna onverwacht. We wachten nog op de vergevingsgezinde tournure, die niet komt. Marianne Faithfull zingt haar hart uit. Vergeet mij niet. Zelfs niet als ik oud word, en vol met kanker zit, knalt het door de aula. Die zinsnede was me bij beluistering thuis niet zo sterk opgevallen. Ik had Degenkamp moeten waarschuwen voor het beschaafde applaus, dat na afloop van het nummer opklinkt. Ik haat het als er een ingeblikt applaus door de aula klinkt. Dan komt Pietje Bell naar voren, gaat achter de kist staan, en nodigt zijn vrienden uit om zich bij hem te voegen. Ze vormen een kring om James heen, pakken elkaars handen vast. Zo staan ze zwijgend en indrukwekkend bijeen. Dan spreekt hij, over dat het goed is zo. Dat Jim zo moe was, dat hij een oud lichaam had, maar een zuivere geest in dat grote dikke lichaam. En dat hij zeker terug zal komen, als een prachtig klein mensje, het prachtige kleine mensje dat van binnen in die grote man verborgen zat. Hij glimlacht, vraagt dan aan zijn vrienden of die nog iets willen zeggen. Eén van de meisjes vangt te snikken aan. Een ander vouwt haar handen, wenst hem goede reis. Een van de jongens, met zo’n plak klithaar op zijn hoofd, zegt dat hij Jim zal missen. Een andere jongen neemt zijn eigen kleine woord, in het Engels, en zo reizen de laatste woorden de kist rond.
Nog even staan ze zwijgend bijeen, er wordt geknikt, handen leggen zich liefkozend op de blankhouten kist. Dan wordt er weer plaatsgenomen. Het duurt lang voor Johnny Cash begint te zingen. Maar dan zingt hij ook. Dat we elkaar moeten dragen, we moeten elkaar dragen. De uitvaartleidster wacht beleefd tot het nummer helemaal is uitgeklonken. Dan staan we op, en volgen de baar, naar buiten, naar het graf.

Bij het graf wordt dezelfde cirkel nog eens gevormd. De uitvaartleidster maant tot voldoende afstand van het dennengroen, dat de kuil afdekt. De heer van het Consulaat mag nog een foto maken. Voor zijn broer. Gisterenavond had hij een broer van de overledene gevonden, vertelt hij, in San Francisco. Dat was niet gemakkelijk geweest, maar hij was gevonden. En hij zal de foto’s zeker op prijs stellen. Bereidwillig poseren de vrienden van Jim voor de Amerikaanse broer. De uitvaartleidster vraagt of de kist mag zakken.

‘Go with it!’zegt Bell enthousiast. Dan duikt de jonge Degenkamp tussen de benen van het gezelschap door om op het knopje te drukken. Iemand heeft zo’n fietslampje op batterijen op de kist gelegd, zie ik. Een voorlicht, wit, maar het brandt niet. Misschien zitten er geen batterijen in. Een paar meisjes hebben gerbera’s meegenomen, ieder één bloem, samen een boeket. Eén van de bloemen reist met het lampje mee naar beneden. Dan is het tijd voor de koffie. Een tegenvaller voor mevrouw Degenkamp, die zal tenminste één extra pot moeten aanrukken. Druk kletsend slenteren we terug. Jim, die dus eigenlijk James heette, was een fijne kerel. Enorm. Maar een ongelofelijke zatlap. ‘Meestal’, vertelt Pietje Bell, ‘moeten we niks van zulke lui hebben. Maar hij was anders. Hij was een mooie geest. Een fijne vent. Dus hij bleef welkom bij ons. Iedere dag keek iemand wel even of hij er nog was. Soms zat zijn kop vol bloed, alsti weer met zijn zatte harses ergens tegenaan was geknald, of gewoon zo baf voorover was gevallen. Op het laatst deed hij ook helemaal geen broek meer aan. Dat vonti teveel werk, omdat hij zo dik was. Dan sloeg hij maar zo’n beetje een lap om zich heen.’ Ze hebben hem zelf gevonden, in zijn caravan. En tja, dan waarschuw je uiteindelijk de politie. De zelfredzaamheid strekt zich vooralsnog niet tot de lijkbezorging uit. Maar zelfredzaam dat wassi, Jim. Hij vond altijd wel wat om te doen. Soms ging hij op feesten bij de toiletten zitten. Nam een schoteltje mee. En dan dachten de mensen dat ze moesten betalen voor het toiletbezoek.

De vrienden van Jim pendelen ondertussen zo’n beetje heen en weer tussen koffiekamer en buiten, waar de joints worden opgestoken, om het verlies beter te kunnen verwerken. Hee man, bedankt voor de muziek, zegt er één. Fijn gedicht, mompelt een ander. Hier en daar wordt alweer gelachen. Het was goed zo. ‘Recht op zelfbeschikking’, noemt de uitvaartleidster dat. Even later loop ik met Tonnus Oosterhoff de dijk af, om een echte koffie te vatten, op een terras bij de Westergasfabriek. Dan haal ik mijn zoon op. ‘Hoe was het’, vraagt hij. ‘Mooi’, zeg ik, ‘perfect.’ Dit strekt hem tot aanbeveling een theorie te ontvouwen dat niets ooit helemaal perfect zal zijn. ‘Maar het gaat om het moment’, hou ik vol, ‘in het moment zelf had het niet mooier kunnen zijn.’

Geplaatst in Eenzame Uitvaart