STAATSKRANT

Achter mijn huis is langzaam een nieuw appartementencomplex verrezen. Eerst – hulde! – het bijna onhoorbare intrillen van de nieuwe fundering waarop het geheel zou komen te rusten, daarna de permanente dieselstank van een enorme generator, het verrijzen van een hijskraan die de late zon op het achterbalkon verduistert, plakken beton die op elkaar worden geplaatst, afwisselend horizontaal en verticaal, zodat er vakjes ontstaan die uiteindelijk huizen zullen vormen – vellen zilverkleurig plastic worden ertegenaan geplakt, die op hun beurt weer worden afgedekt met een keurig gemetselde façade. Men gaat daarbij niet erg methodisch te werk. Muurtjes worden half afgemaakt en in de steek gelaten, waarna er een stuk verderop vlijtig verder wordt gemetseld.

 

Uit de betonplakken steken draden, buizen, heel veel draden, steeds meer buizen. Er gaat een hoop aan- en afgevoerd worden, in die huizen. Het nieuwe complex is een meter of twee hoger dan de oudbouw en steekt ook aan de achterzijde minstens drie  meter extra uit, we kunnen zo recht in elkaars slaapkamer kijken, ja, dat gaat vast heel gezellig worden. Vroeger stonden daar nog bomen tussen.

 

Die bescheiden, bijna verlegen oudbouw, die reeds geflankeerd werd door de nieuwbouw uit de jaren tachtig, waardoor het wooncomplex al door ouderdom gekrompen leek. Moderne stadsbewoners hebben kennelijk heel veel ruimte maar verbazend weinig zonlicht nodig, steeds minder, steeds minder. Ook om een tuin wordt niet meer gevraagd, het nieuw te bouwen complex is – net als het gebouw waarin ik woon – geheel onderkelderd, zou je vroeger zeggen.

 

Gebouwd op een parkeergarage, that is, waar men in vroeger dagen de benedenetage vond treft men nu een stalen rolluik dat je met een pasje kunt openen, als dat kloteding het tenminste doet. Het gebouw hierachter krijgt ook zo’n parkeergarage, met de ingang precies onder de openslaande deuren aan de voorkant van mijn appartement, een tweede in- danwel uitgang leek de ontwerpers overbodig.

 

Met als resultaat dat het concept tuin versmald is tot het concept beton. Een verdwenen buitenruimte, die de temperatuur aan de achterzijde in aanstonds verhoopte zomers met nog een graad of twee zal verhogen. Microklimaat. Geen klimaatverdrag zal ons van zulke architectonische wonderen kunnen verlossen. Verdichting noemt men dat. Winstmaximalisatie. Op een terras kun je geen bomen laten groeien. Zet maar een pot met geraniums neer, als je zonodig in het groen wil zitten. Alsof auto’s vanzelf schoner worden wanneer ze niet op straat maar in een kelder staan, en daar allemaal naar binnen en weer naar buiten rijden, precies onder mijn raam, dat voorheen graag openstond, vanwege de frisse lucht, die in een woning niet vanzelf ontstaat.

 

Volgend jaar zullen hierachter verse, moderne mensen wonen, die voor hun appartement in deze populaire buurt drie ton gaan neerleggen, twee voltijds banen zullen moeten vervullen om de hypotheek te kunnen betalen, die om half zeven in de Albert Heijn om de hoek geïrriteerd en gehaast kant en klaar maaltijden zullen kopen, kinderen zullen krijgen, lui met een bakfiets die de stoep voor de supermarkt zullen blokkeren, een bakfiets om al dat spul in te vervoeren, reden dat in die supermarkt vrijwel alles voorgesneden, gewassen en liefst voorgekookt wordt aangeboden, net zoals de kinderen zullen worden voorgeprogrammeerd, uitbesteed – je hoeft ze bij thuiskomst alleen nog maar drie minuten in de magnetron te laten draaien, ah, vandaar dat die draden nu al uit die opgepompte, onafgemaakte huizen steken. Er zal vooruitgang wezen.

 

 

© F. Starik

 

+

Geplaatst in Log