F. Starik – Victoria

‘Met zijn woorden sticht hij eeuwigheid. In zijn reiken naar de uiterste grenzen van de taal weet hij zich gelokt door de stilte. Harmonie. Is dat wat de overwinning inhoudt?’

De recensent verbaast zich verder over de (on-)regelmatige regelval, het veelvuldig gebruik van de gebiedende wijs, alsmede de afwezigheid van rijm. Hoe kom je erop, zouden wij van Starik zeggen. Toch een mooie, lieve recensie.

F. Starik – Victoria
De overwinning is aan de verbeelding!
door Johan Reijmerink op Meander

Aan de catalogus van het Palau de la Musica, de concertzaal van Barcelona, gaf de auteur de woorden van de Catalaanse dichter F.V. Foix mee: ‘Niets eindigt, alles begint’. Op de plaats van een oud kloostercomplex verrees in 1908 na een moeizaam proces van onderhandelen een wonderschoon architectonisch ontwerp. Nog altijd een sieraad voor de stad. Zo was te zien dat elk einde een nieuw begin in zich draagt. De levenscyclus die F. Starik in zijn nieuwe bundel beschrijft, loopt uit op ervaringen met de eigen dood en die van anderen, maar biedt tevens zicht op een nieuw begin: “Ik ben een zieke vogel/ die zijn vleugels niet meer spreidt,[…] Ik ben een leeg papier,/ verfrommeld, nat, verwaaid/ uit een kapotgescheurde vuilniszak/ maar ik ben er nog, ik ben nog hier.//”. Zeker als dichter!

Starik bezingt in zijn cyclisch opgebouwde bundel Victoria (2009) achtereenvolgens de liefde, de tijd en de dood: het begint met het gedicht ‘Victoria’ en eindigt ermee. Meer vindt u niet in dit geestelijk verzorgingshuis, aldus de dichter F. Starik. Het ontwerp van kleurvlakken, lettercompositie voor en getekend portret van de dichter achter op de omslag geven aan de bundel een aansprekende uitstraling. De woorden van Gerard Reve in zijn gedicht ‘Scheppend kunstenaar’ vormen voor Starik de leidraad van zijn nieuwste bundel: ‘Naarmate ik ouder word, / wordt, wat ik schrijf, hoewel fraaier verwoord,/ steeds enkelvoudiger van inhoud’. In de aantekeningen achter in de bundel geeft hij een overzicht van verwijzingen die de naam Victoria oproept. Voor een dichter die zich als vrijwilliger beschikbaar stelt om in Amsterdam mensen die vervreemd zijn van het leven en in eenzaamheid sterven, naar hun laatste rustplaats te begeleiden, gaat zonder meer de uitspraak op, dat we midden in het leven in de dood staan. Dat laatste is hem zijn nieuwste bundel tot leidraad geweest.

Als ik de verzen van Starik lees, stel ik mij zo voor dat er een groot, donker en sterk ironisch getint geluid uit de mond van deze dichter komt. Zijn poëzie verraadt een stevige spreektoon. Met zijn toonzetting lijkt hij ons een wereld te willen laten zien, als zijnde dat deel van het bestaande, waar de sterveling zich vergist. We wandelen een leven binnen vol met misverstanden, ergernissen, mislukkingen en verrassingen zoals in het gedicht ‘Volgende keer’:

Volgende keer

Als ik in een volgend leven terugkom, graag zonder
mondkapjes, plastic handschoenen, graag geen
verpleegsters met een mutsje op, leggende infusen
aan ziekenhuisbedden, graag zonder ziekenhuizen

in het algemeen, helemaal geen. Als ik in een volgend leven
terugkom, graag, laten we dan in ieder geval een paar
dingen afspreken: geen verrassingen meer, laat ons
de volgende keer allemaal tegelijk het pand verlaten

niet dat telkens zomaar iemand, terwijl we staan
te praten, ertussenuit wordt gehaald, midden in een gesprek
vertrekt, alsof er een mobiel afgaat – die neem je even op.

Dat er ergens iemand aan je denkt. Worstelt met een vraag alsof
jij daarop een antwoord weet. Dat dus allemaal graag niet nog
een keer. Mobieltjes uit. Mondkappen af. Zo niet meer. Stop.

Wij lopen door straten waar de dood zich vrijelijk doorheen beweegt. Enkel de weerloze liefde voor Victoria lijkt een antwoord op deze niemand ontziende dreiging, de aftakeling is echter onafwendbaar.
Zijn parlandotoon is aantrekkelijk en irritant tegelijk. Hij beweegt zich daarmee op de grens van poëzie en proza. Poëzie als ingedikt proza en proza als uitgelegde poëzie. In ieder geval is hij in staat je anders naar de vanzelfsprekendheden van ons dagelijks bestaan te laten kijken, met als gevolg een vervreemdende ervaring. Zijn alledaagsheid gaat hand in hand met die ontnuchterende vervreemding. Deze kwaliteit beschouw ik als één van de voorwaarden waaraan aansprekende poëzie moet voldoen. Hij is goed in staat situaties, emoties, omstandigheden te cursiveren en in hun tegendeel te doen keren. Zijn poëzie kent een heel eigen mengsel van een alledaagse sfeer en een ironische toon. Ze heeft iets parmantigs, iets van tegen beter weten in de moed erin te houden. Zo’n uitroepteken achter het laatste titelgedicht ‘Victoria!’ getuigt daarvan.

Starik is een dichter die het nog wel even moet aanzien of de dingen zijn zoals ze zijn. Zijn toonzetting is een tikkeltje recalcitrant, eigenzinnig. En absurdistische trekken zijn hem ook niet vreemd, zoals in het gedicht ‘Last post’: “Of ze haar bril ook in de kist zal dragen/ nu ja, de kist -/ […] Ten slotte, ze durft het nauwelijks/ te vragen, wil ze graag weten of er mensen/ zijn om de plank het vuur in te dragen.” Ik moest er even aan wennen, toen ik in zijn nieuwste bundel begon te lezen. Gaandeweg heb ik zijn kijk op het leven en toonzetting leren waarderen. Hij blijft dicht bij de realiteit van alledag: een zoon die nog laat het licht laat branden, de blauwe doos van Ikea op de terugweg van Haarlem, de Turkse bruiloft in de straat, pootjebaden in Bakkum met de kwallen om je heen.

Aangezien er nogal wat gedichten tussen zitten die voor het podium lijken geschreven te zijn, krijgen die al lezend niet de extra dictie, die ze wel krijgen als ze zouden worden voorgedragen, om zodoende tot volle ontplooiing te komen. Neem het gedicht ‘Vaas met ster en barst’: “Knaagt hem het besef dat hij nooit/ zal oogsten, dat hij maar voor de sier/ op tafel staat, ontgaat hem dat hele concept/ van bloeien al, of is die rijke knop een beetje/ verlegen hier, sloof je niet uit, voor wie?” Een gedicht als ‘Hyves’ over zijn nieuwe vriend Hans, één van de 151 vrienden, aangeraakt door de bewondering, mondt uit in een afmelding van de ik. De ervaring van de intieme anonimiteit op Hyves krijgt in dit gedicht naar vorm en inhoud niet voldoende poëtische spanning mee.

Er staan nogal wat anekdotische gedichten in de bundel die het vaak van de laatste versregel moeten hebben, zoals in het gedicht ‘Proefrit’ waarin de ik met de liefde van zijn leven een proefrit maakt. Ze suizen geruisloos over de weg: “Stel dat er een zwaan opvliegt.” Die regel intrigeert en stelt het gehele gedicht in een metafysisch licht. Soms vormen enkele woorden als slotakkoord de vuurpijl die bij de lezer afgaat, zoals in het gedicht ‘Valse start’, waar de jij een onaangename ervaring moet zien kwijt te raken: “Raar spul eigenlijk, verdriet.” Of in het gedicht ‘Huis’ waarin we net doen alsof de afwezige nog aanwezig is: “Nu doen we net of je er bent,/ […]Victoria vouwt kleren op, zuigt stof, drapeert een kleed/ over de bank/ […] en verandert weer het licht. Alsof”. Dat woordje ‘alsof’ zet alles weer op veelzeggende wijze op losse schroeven en maakt de cirkel van het gedicht gesloten en open tegelijk.

Stariks verzen zijn naar de vorm genomen conventioneel: strofen en versregels van (on)regelmatige lengte, overwegend geen rijm, wel parallellie en enjambement in de versregels. De vormgeving oogt overzichtelijk. Zijn poëzie leest als gesproken taal, met zo nu en dan opsommende delen, maar ook momenten waarop je meent dat de dichter met je in gesprek lijkt te gaan. Hij gebruikt nogal eens de gebiedende wijs en infinitief- en deelwoordconstructies. Technische middelen, die goed zijn voor tempoversnellingen in het vers. Hij wijst de lezer graag de weg in zijn waarneming. Zijn gebruik van de gebiedende wijs komt soms wat dwingend over.

De eerste afdeling over de liefde onder de titel ‘Daarom dansen wij niet’ opent met het gedicht ‘Victoria’, de bewierookte geliefde. Het gedicht sluit af na de wedren om het ophalen van een stapelbed, zoals zoveel gedichten die een heel anekdotisch verloop kennen, in een omkering van standpunt of perspectief. In dit gedicht wordt het verzamelen en bijeenbrengen van de spullen en de geliefden veranderd in een zich buitengesloten weten bij de ik: “Te zwaar beladen kwamen/ we eindelijk thuis. Ze belde aan. Ik kon niet/ opendoen. Ik moet nog altijd buiten bij haar staan.” De laatste versregel draagt op verrassende wijze een ambigu karakter, zoals ook het geval is in het gedicht ‘Ohm’: “Wij moeten nu worden wie we nog niet waren/ in plaats van degene die we dachten dat we zijn.” Het gebeurt wel vaker dat Starik op die manier de poëtische spanning aan het eind opvoert en tot verrassende ontlading brengt.

Aan de poëzie van Starik is humor ook niet vreemd. In het gedicht ‘Stout’ weet de ik als ontwerper van een revolutie op behagebied zich in een bepaald jaar “uitgeroepen/ tot de meeste innovatieve drager in wijde omstreken,/ de omstreken van de berekening, ja daar.” De humor krijgt bizarre trekken in de ‘Stofzuiger’ die Victoria begraven wil zien naast de kip die ooit haar laatste rustplaats op het schoolplein had gevonden. De herinnering aan de schooltijd van Victoria wordt geëxtrapoleerd in een bizar verzoek aan de vroegere leraar voor een begrafenis van de stofzuiger naast de botjes van de kip. Wel instemming, maar “Er kwam geen kruis want wat schrijf je daarop?/ Stof tot stof.” Een treffende zwenking van het alledaagse naar een Bijbelse notie in de laatste drie woorden.

De jij weet: “er komt een dag/ dat je opstaat, dat gore bed verlaat en de wereld/ iets verschrikkelijks zult laten zien.” De ik houdt van vrouwen met een randje en wordt uitgedragen “tot meest innovatieve drager in wijde omstreken,/ de omstreken van de berekening, ja daar.” De ik is liefhebber van tweedehands kleren en verschijnt naakt voor de lezer, legt zichzelf aan hem uit, maar weet niet wie het zegt. We lopen rond in het dagelijkse leven van de ik en Victoria. Een afgebroken huis. Er komen gasten over de vloer met bizarre verzoeken om een vijver te graven in haar tuin waarin je kunt verdrinken. Een werkster die het huis kuist. Spreeuwen die doen denken aan mensen: “Een boom vliegt op en blijft toch achter./ Noem het God. Het individu opgelost/ in een groter genot, /”. In die bedreigende samenleving is er dan Victoria “die nooit over maatschappelijke problemen praat./ Victoria, met wie ik samenleef, die graag/ cadeautjes weggeeft aan de keukenla/ waar volgens vader alleen messen lagen.”

Victoria zegt dat ze de stilte kent, ze heeft ernaar gezocht, zo lezen we in het gedicht ‘Ze zegt dat ze die stilte kent’: “Bij het verlaten van de markt/ merkte ik pas op hoe grote stilte/ in mij daalde, groette de groenteman/ waar ik mijn kropsla haalde// maar sprak te zacht, ontmoette een kennis,/ schudde handen, alles goed, goed, och… ik knikte/ met mijn hoofd, bleef zoet zwijgend naast/ haar staan, betaalde. Het was alsof// alle geluid in mij werd uitgewist, kinderen/ op de fiets, het gillen van de tram in zijn vaste baan,/ de flauwe bocht – aardbeien een euro de hele kist -// ik hoorde niets, het zoog zich allemaal in mij op/ en werd daarbinnen uitgedoofd. Victoria zegt/ dat ze die stilte kent, ze heeft ernaar gezocht.” Eén van de betere gedichten waarin de onvrede en onrust over het naderende einde even tot bedaren lijkt te komen. Met zijn woorden sticht hij eeuwigheid. In zijn reiken naar de uiterste grenzen van de taal weet hij zich gelokt door de stilte. Harmonie. Is dat wat de overwinning inhoudt?

De tweede afdeling ‘Wat zal ons overleven’ opent met het gedicht ‘Spreekt vanzelf’ met als slotregel: “Niets zal ons nog overleven.” Internetsites en antwoordapparaat zijn beide communicatiemiddelen, maar hun anonimiteit kwalificeert ze tot vluchtige middelen die de communicatie een weinig oprecht karakter kunnen meegeven. Bloemen waarvan de stengels zijn afgesneden toen ze in de vaas werden gezet, symboliseren de vergankelijkheid. Bezoek aan de dokter in het ziekenhuis stemt ook al niet gerust. “Het is niet erg gewoon te zijn/ of oud en ziek, zolang je het zelf/ niet in de gaten hebt.” In het gedicht ‘Last post’ ironiseert Starik de moderne vormen van begraven: de wijze van aankleding in de kist, en hoe dan ook in een kist of slechts op de plank het vuur ingedragen te willen worden. Maar daar is dan in het laatste gedicht van deze afdeling de dichter die nog enig geloof hecht aan zijn voortbestaan na dit leven, maar dan wel in zijn poëzie: “Hoe je woord voor woord uit jezelf opstaat/ en daarna weer uitwist, schrapt, of je verandert dit/ in dat omdat jij dit beslist niet bent, of dat niet mooi/ genoeg is opgepoetst met je glanzende begeerte/ tussen de anderen, die je godbetert hebben geleerd/ waar jij je leven voor gaf, te worden wat jij je droomde./ Een leeg vak tussen twee woorden. Om daar/ waar je al die tijd woonde, te wandelen.”

De derde afdeling ‘Driehonderd vrienden en niemand online’ opent met het gedicht ‘Death on the internet’, waarin de draak wordt gestoken met die zogenaamde vergankelijkheid van ons. Er is immers sinds kort een vorm van leven na de dood: “zo groeit het internet om ieders leven heen.” Staan er eenmaal gegevens van je op internet: “Je bent een muisklik van de eeuwigheid verwijderd.” De dichter verdiept zich in de loop van deze afdeling in het fenomeen van de dood en het sterven: “Om de dood te leren kennen/ moet je eerst weten hoe de dood bij jou/ werd binnengebracht.” Hoe kun je je verweren tegen de ziekte die je zal treffen en de dood die daarop volgt? “Ze zeggen dat ieder mens/ de ziekte krijgt die bij hem past/ zoals de baas op den duur het gezicht/ draagt van zijn hond,”, maar dat wens je een jong mens niet toe. “Zelf sterven is het ergste niet, het zijn de mensen/ die dag komen zeggen, die willen achterblijven/ met hun stomme verdriet.” Dit soort pakkende versregels maken de derde afdeling voor mij de moeite waard.

In de cyclus ‘Jeugd tot stof’ laat Starik de jeugdige idealen verwaaien in de tijd. Jammer dat hij in het derde gedicht een paar versregels heeft staan zoals: “Niets bereikt hebbenden.// Onzeker laverenden van sterfgeval tot sterfgeval.” Deze afdeling kent nogal wat gedichten met een treffende pointe. Maar er is ook die nieuwe oom “die het leven vergeleek/ met een busrit. Onderweg stappen er mensen in/ en uit. En jij moet blijven zitten tot het eindpunt.” Maar in hetzelfde gedicht staat de versregel: “Winter maakte plaats voor lente.” Er is het hardnekkige verzet tegen het voorbijgaan van de reis. Tegen beter weten in: “Jezelf omhelzend dans je door de kamer op een lied/ over een bevroren meer onder een ijsblauwe hemel/ die moet leren om te regenen, en hij kan het niet.” Weg met de dood. De overwinning is aan het leven, beter aan de verbeelding!

Starik laat ons getuige zijn van zijn verontwaardiging dat het leven zijn einde neemt. Hoe kom je de winter met de naderende dood door? Het bezoek aan het graf van een geliefde laat ons niet meer over dan er bloemen neer te leggen. Tot de volgende keer, zeggen we dan. Maar zo lang je er bent, al is het maar op een verfrommeld stuk leeg papier, leeft de overwinning. Naarmate ik deze gedichten van Starik meer tot me door liet dringen, gaven ze me een verfrissende blik op de vergankelijkheid van het leven van gewone mensen. Starik heeft een bijdetijdse bundel geschreven met een aantal memorabele confrontaties met de vergankelijkheid.

Auteur: Johan Reijmerink
Gepubliceerd op 18 januari 2010 in de rubriek Recensies | | Stuur een reactie aan Johan Reijmerink | pdf-bestand

Geplaatst in Log

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*