Eenzame uitvaart nummer 114

I.M. Younes Hathem Salih Ramadani, 1 januari 1983 – 14 maart 2010
donderdag 25 maart 2010, 10 uur, begraafplaats en crematorium Westgaarde
dichter van dienst: Jos Versteegen

De heer Mahmood van de Dienst meldt dat er twijfel is over de identiteit van de man, die zelf beweerde uit Irak afkomstig te zijn, een asielzoeker, die onder verschillende namen in verschillende landen asiel aanvroeg. Men vermoedt dat hij uit Algerije of Marokko afkomstig is, geboorteplaats onbekend. Ook de geboortedatum lijkt gekozen. Waar hij overleed weten we wel: hij stierf aan een overdosis in een hotelkamer aan het Damrak, in Amsterdam, hotel Continental: ‘een comfortabel hotel op 5 minuten lopen van het Centraal Station. Met de Dam, het Koninklijk Paleis en de beroemde Wallen om de hoek is Hotel Continental een ideaal startpunt voor het verkennen van Amsterdam,’ meldt de website. Twee sterren. Je kunt er eenpersoons, tweepersoons, zelfs driepersoonskamers huren, sommigen met eigen badkamer, er is wireless internet, er wordt gerept van een koelkast en een bar.

In september van het afgelopen jaar werd hij als ongewenst vreemdeling ontslagen uit een asielzoekerscentrum in ’s Gravendeel. ‘Het AZC gevestigd aan de Kilweg is gericht op terugkeer. Dit betekent dat hier asielzoekers worden gehuisvest die van de immigratie- en naturalisatie dienst (IND) een negatieve beschikking hebben ontvangen op hun asielaanvraag. Zij worden begeleid om terug te keren naar het land van herkomst of migratie naar een ander land.’ Er verbleven op 1 januari 2010 445 personen, er bestaan plannen om de capaciteit uit te breiden met nog eens honderd personen.

Ali Mahmood heeft gebeld met dit asielzoekerscentrum, of er misschien vrienden zaten die wisten hoe hij nu werkelijk heette, maar geen van de Irakezen daar kenden hem. En ook de Turken niet, noch de Marokkanen, noch de Algerijnen, de Tunesiërs. We begraven hem dan maar onder de naam die we van hem kennen, een steek diep, min of meer volgens Islamitisch gebruik: geen aula, geen muziek, geen bloemstuk. Dat is iets met wassen, weet Mahmood, die volgens Islamitische gebruiken is opgevoed. Het aandachtsmoment ligt vroeger. Gedenken doe je al eerder. Afleggen. Wassen. Naar voren treden en een gebed opzeggen. Waken bij de dode. Huilen. Desnoods iemand huren om hard voor je te huilen.

Bij de uitvaart zelf mompel je hooguit een verdwaald gebed, om je nog eens aan te bevelen in de gunst van Allah. Die weet het allang, dat jij onderweg bent. Dat hebben de mensen, als het goed is, allang gezegd. Je zal vanuit de lijkwagen rechtstreeks naar het graf worden gereden, waar dichter van dienst Jos Versteegen zijn gedicht zal uitspreken, en waar ons vervolgens de taak wacht de kist met zand aan het gezicht te onttrekken.

Meneer Mahmood biedt aan om een kleine draagbare versterker aan het graf te laten plaatsen, om het gedicht goed luid te laten klinken, ik meen dat het niet nodig is de dichter te versterken in het naar alle waarschijnlijkheid zeer bescheiden gezelschapje dat meneer Ramadani op zijn laatste tocht zal begeleiden. Omdat meneer Mahmood zijn arm heeft gebroken, kan hij niet naar de begraafplaats komen fietsen, hij hoopt dat zijn chef, Bert Kiewik, hem met de auto zal willen brengen.

Het is druk op de begraafplaats als ik door de overweldigende lentemorgen kom aanfietsen, ik negeer het verbodsverbod ‘uitsluitend voor rouwstoeten’ en rijd over de rouwstoetenweg op de aula aan, terwijl een rouwstoet gebruik maakt van de reguliere aanvliegroute. We doen het allemaal verkeerd, vandaag. Voor de aula dromt een groep mensen samen. Langzaam parkeer ik mijn fiets, speurend naar aanknopingspunten: een eenzame uitvaartleider, de witte dienstauto van Mahmood en Kieweik, die even later inderdaad komt aanrijden, achter de aula verdwijnt, op zoek naar een lege parkeerplaats. Ook de uitvaartleider vertoont zich. Hij noemt me Frank. Het is dezelfde uitvaartleider die ons de vorige uitvaart bijstond, toen herkende hij Wim Brands van dat fijne rustige zondagochtendprogramma, kijkt hij graag naar. Een rustige, fijnbesnaarde man, een lezer. Als ook Jos Versteegen aan komt fietsen, zijn fiets onregelementair tegen een paaltje heeft geplaatst, een paaltje naast een betonnen beeld met een gat erin, waardoor je heel goed je fiets kunt vastketenen, wijst Kiewik, we lachen. De fiets wordt niet op slot gezet. Ik moet dan altijd aan Adriaan Jaeggi denken, de man die vond dat een fiets op een begraafplaats niet op slot hoort te staan. En, o wonder, hij vond zijn fiets ook altijd terug. Ook Jos Versteegen zal zijn fiets straks terugvinden.

We wandelen achter de uitvaartleider aan, om de aula heen. Daar staat de glanzende lijkwagen met onze man erin. ‘We moeten omrijden,’ vertelt hij, als de dragers zich naast de auto geposteerd hebben. ‘Het is een heel eind.’ Dus lopen we achter de geruisloos zoemende wagen aan, over verharde paden, tot we in de buurt van het Islamitische gedeelte van de begraafplaats zijn geraakt. Daar wordt de kist op het karretje geplaatst, de auto keert om en rijdt langzaam weg. Nu wandelen we door een bosrijke omgeving, over onverhanderde paden, de kist schommelt zachtjes heen en weer. Alsof hij wordt gewiegd. De kist wordt met enige moeite boven het met planken omzoomde graf geplaatst. Het moet een zware man geweest zijn. Hij zal aan touwen naar beneden zakken. We staan in een dichte kring om het graf heen. Op een teken van de uitvaartleider leest Jos zijn gedicht.

Hotel Continental

in memoriam Younes Hathem Salih Ramadani

Er was beschikt: je kon niet blijven.
Het einde van een droom komt soms per brief.

Je schreef je in bij dit hotel,
het Continental aan het Damrak.
Er was beschikt: je kon niet blijven.

Een overdosis van een droom,
die had je vroeger ook genomen,
thuis, in een ander werelddeel.
Er was beschikt: je kon niet blijven.

Je woonde in je droom, voor even,
maar dit hotel is klein en druk.
Er was beschikt: je kon niet blijven.

En ergens in papieren, zwart op wit,
is plotseling beschikt: je mag hier blijven.
Een droom ging over in een droom.

© Jos Versteegen

Als de kist gezakt is, beginnen de dragers te scheppen. Er zijn vijf grote batsen op de berg zand geplaatst. Ze gaan aan het werk. Met overgave worden er grote porties zand de kuil in geschoffeld. Al spoedig is de kist aan het oog onttrokken. ‘Stop maar,’ oordeelt de uitvaartleider dan. ‘De ring moet er nog af.’ Ik stap als eerste naar voren om een laatste schep te werpen, gevolgd door Kiewik, Mahmood, Versteegen. Dan is het klaar. We blijven nog even zwijgend bij de kist staan. Dan begint de uitvaartleider over de koffie. We wandelen traag terug naar de koffiekamer. ‘Een uiterst doeltreffend gedicht, in zijn eenvoud,’ complimenteer ik de dichter. ‘Ik wou wel weer eens zingen,’ verklaart hij, even eenvoudig, even doeltreffend.

In de koffiekamer praten we over dat deze man deze man waarschijnlijk niet was. Over hoeveel procedures in hoeveel landen onder hoeveel namen hij vergeefs doorlopen moet hebben, over die droom binnen een droom, of hoe een doom in een nachtmerrie verandert. Versteegen vertelt dat hij het hotel heeft bezocht, hij is er zelfs even binnengelopen om te vragen hoe je Continental uitspreekt. Het kan op zijn Engels, op zijn Frans, het kan zelfs in plat Amsterdams, fonetisch, zoals mijn woningbouwvereniging in de volksmond ‘rogdale’ wordt genoemd, waar je geneigd zou zijn Rochdale uit te spreken als betrof het een woonplaats op het Engelse platteland.

Zo waaiert het gesprek al snel uit naar de oorsprong van het licht, zijnde het duister, de oerknal, zwarte gaten, de oneindigheid van de ruimte, over dat niets verdwijnt, maar alles verandert, dat alles krimpt en uitdijt, in concentrische cirkels, dat al wat bestaat ook weer moet sterven, zoals de zon ooit boven ons is opgegloeid weer zal uitdoven, dat er een nieuwe IJsti
jd zal komen, we putten ons uit in vergelijkingen: dat als de wereld een arm is, de geschiedenis der mensheid daarop niet meer dan een vuiltje onder een nagel is, terwijl alle mensen tezamen het lichaam van God vormen, dat ieder mens op zich een cel van zijn reusachtige lichaam vertegenwoordigt, en dat ieder die ons ontvalt dat enorme lichaam beschadigt, en dat het daarom zondig is om een anders mens te doden. We vragen ons af of de geest los van het lichaam kan bestaan. Ik opper de mogelijkheid dat iedere cel in ieder individu op zich een compleet universum vertegenwoordigt, daar stonden vroeger van die mini-advertenties over in de krant geplaatst: ‘Atomen zijn ruimteschepen.’ We giechelen over piepkleine mensjes die in piepkleine gebouwtjes in ons wonen en daar, binnen in ons, over hele kleine weggetjes in piepkleine autootjes rondrijden.

Mahmood heeft nog andere zorgen. Alles staat tegenwoordig op internet. Maar wat als de chip kapot gaat? Zijn we dan alles kwijt? En wie van ons weet eigenlijk, waar alle informatie die op al die computers staat opgeslagen toch vandaan komt? En stel dat het zoek raakt, moet je alles dan weer helemaal opnieuw intypen? ‘Wie doet dat toch,’ mijmert hij. ‘Iemand moet al die informatie toch op internet gezet hebben.’ En wat erop kan, zo hebben we vandaag geleerd, kan er ook weer af. Wie begint moet ergens eindigen.

voor het verslag: F. Starik.

+

Geplaatst in Eenzame Uitvaart

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*